ae5913f900de2d8a0ad5598450e6b1c9

Didactisch concept Meerwegen OpleidingsSchool / MOS

Het didactisch concept van waaruit de MOS werkt, vloeit voort uit de visie van de MOS.

Uitgangspunten voor het didactisch concept: 

  • De student werkt vanuit een leerwerkplan en een ontwikkelingsportfolio. Zijn leervragen staan centraal. Er wordt een veilige leeromgeving geboden waar de studenten zich kunnen ontwikkelen op alle benodigde competenties. 
  • Leren is competentiegericht. Het samen opleiden van studenten binnen de MOS is gericht op het in de praktijk ontwikkelen van de competenties voor leraren. Competentiegericht opleiden betekent binnen de MOS dat de ontwikkeling van de competenties van de student leidraad zijn bij alle activiteiten die de student ontplooit tijdens het doorlopen van het programma. Het niveau van functioneren is gekoppeld aan de zeven SBL-competenties (zoals beschreven in de wet BIO) en de achtste competentie ‘onderzoekend handelen’. Deze acht competenties zijn uitgewerkt in niveau-indicatoren per studiejaar. De indicatoren kunnen gebruikt worden om te bepalen wat binnen het betreffende studiejaar geschikte activiteiten voor de student zijn. De student gebruikt ze ook in andere onderdelen van de opleiding en zijn zelfanalyses. De werkplekbegeleider gebruikt ze in het ontwikkelingsgericht advies (halverwege de stage) en het beoordelingsadvies (aan het eind van de stage). In het assessment startbekwaam (aan het eind van de opleiding) wordt de HU-student beoordeeld aan de hand van de niveau-indicatoren startbekwaam. 
  • De studenten volgen bijeenkomsten op het instituut en intervisie- en themabijeenkomsten op de scholen. De thema- en intervisiebijeenkomsten zijn voor de studenten het vehikel om (naast individueel leren) samen betekenisvol te leren (van en met elkaar). Deze bijeenkomsten worden georganiseerd door de schoolopleider en instituutsopleider. Het doel van deze bijeenkomsten is om de koppeling te maken tussen de theorie (geleerd op het instituut) en de praktijk. Er vindt uitwisseling plaats van kennis en ervaringen. De groepsbijeenkomsten worden toegelicht in het hoofdstuk “onderwijsprogramma”.  
  • Sturing middels leerwerkplan. Binnen de MOS wordt het leerproces van de student gestuurd aan de hand van het leerwerkplan. Dit plan stuurt de leercyclus: formuleren van leervragen – leren door het uitvoeren van onderwijsactiviteiten – reflectie op eigen handelen – feedback verzamelen en formuleren van nieuwe leervragen.  De student werkt op de stageplek op basis van een vooraf, zelf opgesteld, leerwerkplan. Daarin heeft de student uitgewerkt aan welke leerdoelen hij wil gaan werken, welke initiatieven hij daartoe gaat ontplooien en hoe hij aan het eind van de periode de opbrengst hiervan zichtbaar gaat maken. De werkplekbegeleider geeft feedback op het leerwerkplan. De werkplekbegeleider en de instituutsopleider moeten het leerwerkplan beiden goedkeuren. Gedurende de stag leert de student o.a. door onderwijsactiviteiten voor te bereiden, uit voeren, te evalueren, door te reflecteren op specifieke gebeurtenissen en door feedback van begeleiders en leerlingen te verzamelen. De student leert door te doen. Door het leren aan de praktijk te koppelen, kan de student de verdieping maken en de praktijk benoemen vanuit de theoretische kaders en andersom. Het leren krijgt zo meer betekenis voor de student. Het leerwerkplan wordt toegelicht in het hoofdstuk “onderwijsprogramma”. De leercyclus stimuleert de student om een toenemende mate van zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid te ontwikkelen. De student is altijd verantwoordelijk voor het eigen leerproces. Wanneer nodig wordt de student hier op aangesproken en uitgedaagd.
  • Maatwerk voor de student. Studenten die kiezen voor een stageplek binnen een van de MOS-scholen hebben een brede keuze. Jaarlijks biedt de MOS ongeveer 130 vacatures verspreid over vijf scholen. Binnen de scholen is er een grote diversiteit in opleidingen. De MOS probeert optimaal gebruik te maken van de genoemde verscheidenheid om zo goed mogelijk bij te dragen aan en aan te sluiten op het keuzeproces en de ontwikkeling van de student richting een baan. Wat past het beste bij de talenten van de student? Waar komen de competenties van de student het beste tot hun recht? Of waar kunnen de competenties het beste verder ontwikkeld worden? Welk type onderwijs past het beste bij de huidige ontwikkeling van de student? 
  • De vaststelling van de specifieke leerbehoefte van de student vindt op de scholen zelf plaats. Tijdens het doorlopen van het opleidingsprogramma en de professionele begeleiding krijgt de student steeds beter zicht op zijn leerbehoefte en hoe deze zich verhoudt tot de eisen die aan startbekwaamheid worden gesteld. 
  • Op alle MOS-scholen ervaren studenten dat de scholen onderdeel uitmaken van de opleidingsschool. Er vindt een warme overdracht plaats tussen de scholen indien de student verandert van stage binnen de MOS. 
  • Middels een ‘carrousel-stage” wordt invulling gegeven aan de diversiteit aan leerervaringen binnen de MOS. 
  • Er is sprake van koppeling tussen theorie en praktijk. Studenten en docenten leren beredeneerd handelen op basis van theorie en praktijkkennis en het uitvoeren van praktijkgerichte onderzoeken. 
  • Leren van en met elkaar: samen leren en ontwikkelen van studenten, (startende) docenten en opleiders staat centraal. 
  • Er is een doorlopende ontwikkellijn van opleiding, inductie en doorlopende professionalisering. In de doorlopende ontwikkellijn ontwikkelen leraren zich steeds verder op de verschillende docentcompetenties, passend bij hun ontwikkelingsfase (in opleiding, startende docent en ervaren docent). 
  • De scholen en de instituten zijn samen verantwoordelijk voor het opleiden, professionaliseren, begeleiden en beoordelen en werken aan onderwijsontwikkeling. Er is sprake van gedeeld eigenaarschap en nauwe onderlinge afstemming. De lerarenopleidingen zijn formeel eindverantwoordelijk voor de eindkwalificatie van de bij hen ingeschreven studenten.
© Meerwegen scholengroep \ Contact \